

Rechtbank doet uitspraak
Op 24 maart jl. heeft de rechter uitspraak gedaan in de gerechtelijke procedure tussen de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) en Stichting Leenrecht. Het draaide in deze zaak om het verschil van inzicht dat beide partijen sinds 2005 hebben over de afdracht van leenrechtvergoeding voor verlengingen van uitgeleende boeken. Stichting Leenrecht is het niet eens met het vonnis en heeft hoger beroep aangetekend, dat op 24 augustus zal dienen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat een verlenging van de uitleentermijn niet geldt als een nieuwe openbaarmaking, maar als een verlenging van de initiële (eerste) uitleentermijn. De rechter stelde daarmee Stichting Leenrecht in het ongelijk, die betoogde dat een verlenging moet worden aangemerkt als een nieuwe uitlening, omdat het uitgeleende werk opnieuw voor een bepaalde periode ter beschikking wordt gesteld. Stichting Leenrecht vindt dat het boek wel degelijk opnieuw voor het publiek ter beschikking komt omdat het tijdens de aanvankelijke uitlening door iemand anders kan worden gereserveerd, waarmee de verlenging niet doorgaat.
De rechtbank vervolgt dat haar oordeel over verlengingen niet met zich meebrengt dat een verlenging is uitgesloten van een billijke vergoeding. De rechtbank overweegt dat, voor zover Stichting Leenrecht de huidige vergoeding voor een uitlening onbillijk acht als die vergoeding tevens de verlenging bevat, dit hooguit kan meebrengen dat de vergoeding voor de eerste uitleentermijn aanpassing behoeft.
De rechtbank meent dat in het midden kan blijven of de vergoeding door de uitspraak moet worden aangepast. Deze vraag heeft Stichting Leenrecht inderdaad niet voorgelegd, omdat volgens haar tarieven binnen de Stichting Onderhandelingen Leenvergoedingen (StOL) moeten worden vastgesteld.
Overigens heeft Stichting Leenrecht altijd duidelijk gemaakt dat er geen sprake is van nieuw beleid. De tarieven van de leenrechtvergoeding zijn destijds in goed overleg vastgesteld. Sinds de jaren ’90 werden verlengingen als uitlening geregistreerd en werd hiervoor dus ook leenrechtvergoeding afgedragen. Een aantal bibliotheken is daar sinds 2005 mee gestopt toen andere automatiseringsmethoden werden ingevoerd en de mogelijkheid ontstond verlengingen te registreren via internet.
Stichting Leenrecht heeft nu besloten hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis van de rechtbank. Om in de tussentijd tot een werkbare oplossing te komen voor de verlengingen zal men opnieuw in overleg treden met de VOB binnen het kader van de StOL. Zodra meer bekend is over de uitkomst van dit overleg zullen bibliotheken worden geïnformeerd. Tot die tijd dienen de bibliotheken de voor verlengingen gefactureerde bedragen als voorheen te reserveren.
De leenrechtvergoedingen die Stichting Leenrecht jaarlijks incasseert bij de bibliotheken worden uitgekeerd aan uitgevers, auteurs en andere makers.
Op 24 maart jl. heeft de rechter uitspraak gedaan in de gerechtelijke procedure tussen de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) en Stichting Leenrecht. Het draaide in deze zaak om het verschil van inzicht dat beide partijen sinds 2005 hebben over de afdracht van leenrechtvergoeding voor verlengingen van uitgeleende boeken. Stichting Leenrecht is het niet eens met het vonnis en heeft hoger beroep aangetekend, dat op 24 augustus zal dienen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat een verlenging van de uitleentermijn niet geldt als een nieuwe openbaarmaking, maar als een verlenging van de initiële (eerste) uitleentermijn. De rechter stelde daarmee Stichting Leenrecht in het ongelijk, die betoogde dat een verlenging moet worden aangemerkt als een nieuwe uitlening, omdat het uitgeleende werk opnieuw voor een bepaalde periode ter beschikking wordt gesteld. Stichting Leenrecht vindt dat het boek wel degelijk opnieuw voor het publiek ter beschikking komt omdat het tijdens de aanvankelijke uitlening door iemand anders kan worden gereserveerd, waarmee de verlenging niet doorgaat.
De rechtbank vervolgt dat haar oordeel over verlengingen niet met zich meebrengt dat een verlenging is uitgesloten van een billijke vergoeding. De rechtbank overweegt dat, voor zover Stichting Leenrecht de huidige vergoeding voor een uitlening onbillijk acht als die vergoeding tevens de verlenging bevat, dit hooguit kan meebrengen dat de vergoeding voor de eerste uitleentermijn aanpassing behoeft.
De rechtbank meent dat in het midden kan blijven of de vergoeding door de uitspraak moet worden aangepast. Deze vraag heeft Stichting Leenrecht inderdaad niet voorgelegd, omdat volgens haar tarieven binnen de Stichting Onderhandelingen Leenvergoedingen (StOL) moeten worden vastgesteld.
Overigens heeft Stichting Leenrecht altijd duidelijk gemaakt dat er geen sprake is van nieuw beleid. De tarieven van de leenrechtvergoeding zijn destijds in goed overleg vastgesteld. Sinds de jaren ’90 werden verlengingen als uitlening geregistreerd en werd hiervoor dus ook leenrechtvergoeding afgedragen. Een aantal bibliotheken is daar sinds 2005 mee gestopt toen andere automatiseringsmethoden werden ingevoerd en de mogelijkheid ontstond verlengingen te registreren via internet.
Stichting Leenrecht heeft nu besloten hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis van de rechtbank. Om in de tussentijd tot een werkbare oplossing te komen voor de verlengingen zal men opnieuw in overleg treden met de VOB binnen het kader van de StOL. Zodra meer bekend is over de uitkomst van dit overleg zullen bibliotheken worden geïnformeerd. Tot die tijd dienen de bibliotheken de voor verlengingen gefactureerde bedragen als voorheen te reserveren.
De leenrechtvergoedingen die Stichting Leenrecht jaarlijks incasseert bij de bibliotheken worden uitgekeerd aan uitgevers, auteurs en andere makers.




